Een verhaal…Op weg naar het land van geluk…

Er liep en oude man door het zand van de eindeloze woestijnweg. Het kon hem niet schelen, dat het zand zo heet was en de zon zo brandde, want hij was op weg naar een land, waar het goed was om te wonen. Ruzies, rellen, oorlog en geweld had hij achter gelaten en met niets dan een fles vol water liep hij zijn nieuwe land tegemoet. Hij floot een wijsje om de dorst niet te voelen, want hij wilde zuinig zijn met zijn water.

Een stuk verderop liep een vrouw door hetzelfde hete zand, langs dezelfde stoffige weg. Zij keek geen enkele maal om, want door waar zij vandaan kwam, werd ze niet meegeteld, had niemand van haar gehouden, had niemand naar haar geluisterd. Tot… ze al haar moed bij elkaar had geraapt, al haar brood in een zak had gepropt en op weg was gegaan. Ik vind het wel, dacht ze en ze voelde geen honger.

Nog verder liep een kind. Een klein mager kind uit het land van armoe en honger. Een kind dat nog nooit een volle maag had gehad, nog nooit een bed op in te slapen. Ook dit kind was op weg naar een beetje geluk en een beetje eten. Af en toe streelden haar handjes over haar schat: een kaarsje, dat ze in een lap had gedraaid en om haar middel had geknoopt. Als ik er ben, in het land van geluk, brand ik het op, helemaal, en ze stapte stevig door.

En dan…. in een wolk van stof, met veel herrie en lawaai, komt er een bus aanhobbelen over de hete woestijnweg. Een bus vol mensen, vol koffers en tassen, zelfs fietsen, vastgebonden op het dak. De man met de fles stapt opzij, zodat de bus er langs kan met al zijn stof en herrie. Maar de bus rijdt niet langs…. Hij stopt!

‘Hee man’, roept de chauffeur, ‘Waar ga jij heen?’ ‘Naar een land waar vrede is’, roept de man terug. ‘Wij ook, je kan meerijden, als je dat wilt,’ zegt de chauffeur. Wat een bof! De man stapt in en de bus rammelt verder. De man kijkt eens rond. Naast hem zit een dikke zwarte oma, aan de andere kant een jongen met een gitaar tussen zijn knieën, verder een werkman, een moeder met een ronde dikke buik, waar een baby in zit. Nog twee keer stopt de bus om iemand mee te nemen. Eerst een vrouw met een bobbelige zak bij zich en daarna een meisje met een lap om haar middel geknoopt.

Het is heet in de bus, iedereen heeft dorst. De man ziet hoe de mensen langs hun gezwollen lippen likken. Zijn eigen keel zit ook dicht en hij zou wel en slok water willen nemen, maar hoe moet hij dat doen zonder dat iemand dat ziet? Het zweet breekt hem uit. Als hij gaat zitten drinken en hij geeft de anderen niets, krijgt hij misschien ruzie en hij is nog wel op weg naar het land van de vrede…

Hij aarzelt en aarzelt… Dan zegt hij: ‘Wie heeft er dorst…’ Ah, er is water? Man, wat een geluk! De fles gaat rond, iedereen neemt een slok. Geen druppel wordt er verknoeid. De werkman knipoogt, het moedertje lacht hem toe. Iedereen voelt zich beter, de man ook, al is zijn fles leeg.

Ook de vrouw met de broodtas. Zij zit stil in een hoekje en denkt aan het land waar ze naar toe gaat. Waar ze met iedereen zal wonen. Hoe zal het er zijn? Zullen ze van haar houden? Zullen ze naar haar luisteren? Luisteren…. Ze hoort iets. Iemands maag knort. Iedere maag knort! Ze kan de honger horen en dat terwijl er tussen haar voeten een zak vol brood staat! ‘Vrienden, hier!’, ze deelt uit. ‘Zuster, wat een geluk dat jij aan brood hebt gedacht’. Als een grote familie eten ze.

Even later komt er pech. Er rammelt iets, er knalt iets en de bus staat stil. Motorpech! Allemaal stappen ze uit om te zien wat er is. ‘Ik kan bussen repareren’ zegt de werkman. Met de chauffeur gaat hij aan het rommelen onder de motorkap. Als ze het niet kunnen vinden, kruipt hij onder de bus. Maar het is zo donker, dat hij zonder licht niets kan beginnen. Heeft er iemand een zaklamp? Niemand? Een kaarsje desnoods, een klein lichtje is genoeg om de bus te maken. Het kleine meisje heeft een kaarsje, een kaarsje dat ze branden wou, als ze in het goede land zou zijn… haar vingers peuteren het tevoorschijn. Het is klein, maar het geeft net lang genoeg licht om de bus te repareren.

‘We kunnen verder’, zegt de chauffeur. Blij stapt iedereen in. De zwarte oma tilt een paar kinderen op schoot. De jongen speelt een liedje op zijn gitaar en iedereen zingt. Een man vertelt een grappig verhaal en iedereen lacht. ‘Het lijkt al of we in het land van geluk zijn’, zucht het meisje. ‘Dat zijn we ook’, zegt de oude vrouw. ‘Hoe kan dat?’ roept iedereen. ‘Zijn we dan al over een grens gegaan?’ ‘Ja, zegt de oude vrouw. ’toen de fles met water rond ging en het brood werd uitgedeeld, toen gingen we over de grens. Toen die oma de kinderen knuffelde en dat meisje haar kaarsje gaf, toen gingen we over de grens. Toen we samen lachten en fluisterden en zongen, toen waren we er… want het land van geluk dat maken we zelf’.  ( Onbekende bron)

Ter overweging. 

Profeten gevraagd

Het is een riskant beroep.

Een profeet is een aanklager,

een verstoorder van de openbare orde.

Hij is gevoelig voor recht en onrecht.

In woord en daad werkt hij

aan een paradijs van een wereld.

Niemand mag iets te kort komen.

Vrede moet er zijn voor iedereen.

Hij staat in voor de toekomst

van mens, dier en wereld.

Toch zijn profeten vaak

roependen in de woestijn.

Ze lopen op tegen de muur van eigenbelang.

Ze ondervinden onbegrip en tegenwerking.

Hun inzet wordt bespottelijk gemaakt.

Daardoor wordt hun boodschap niet gehoord.

Ze worden bijna gedwongen

om naar elders te vertrekken.

De grond wordt niet zelden

te heet onder hun voeten.

En toch mag hun boodschap niet verstommen.

Mensen, zoals u en ik, hebben profeten nodig.

Zonder hen wordt ons leven ingekapseld

in eigenbelang, in eigen voordeel.

Ze komen op tegen de mentaliteit

van ‘ieder-voor-zich’.

Ze strijden voor het belang van allen:

voor een harmonieuze wereld,

voor heelheid van de schepping.

Ook vandaag nog worden profeten gevraagd,

om Gods bedoelingen met mens en wereld

te verkondigen in woord en daad.

(Wim Holterman osfs)

Scroll naar boven