4e Paaszondag B-jaar 25 April 2015 Homilie op Johannes 10, 11 – 18

Dat woord heeft niet de betekenis van de aardige zachtheid gepopulariseerd in sommige godvruchtige afbeeldingen. In het Nieuwe Testament drukt ‘kalos’ de kwaliteit uit van iets of iemand die perfect borg staat voor zijn functie.  Zo is nu juist de huurling niet, die als contrast afgeschilderd wordt.

Het eerste kenmerk van de goede herder, volgens Jezus, is dat hij zijn leven geeft voor zijn schapen. Daarentegen zijn de schapen van weinig tel voor de huurling. Hij kent ze eenvoudigweg niet. Jezus echter heeft met zijn leerlingen een relatie van wederzijdse kennis. Hij kent ze, en zij kennen hem.

‘Iemand kennen’ drukt in de Bijbel een intieme relatie uit tussen twee personen. Zo ook betekent de Vlaamse uitdrukking ‘kennis hebben’ : ‘verkering hebben’, een intieme relatie aangaan. ‘Kennen’ kan in de Bijbel zelfs de seksuele relatie uitdrukken tussen een man en een vrouw. In het evangelie van Johannes en in zijn eerste brief is de relatie tussen God de Vader en Jezus, zijn Zoon, een wederzijds kennen (1 Jo 2,3-5 ; 5,20). Het gaat om een persoonlijke relatie waarin iedere partner op doorslaggevende manier zijn stempel drukt op de andere. Die verhouding tussen de Vader en de Zoon kan overigens omschreven worden als een ‘één zijn’ (cf. Jo 10,38 ; 14,11 ; 17,21). Die eenheid resulteert uit het onderling kennen dat eigen is aan de liefde.

Eenzelfde relatie komt tot stand tussen Jezus en zijn leerlingen (Jo 10,14 v., 27). De leerlingen kennen Jezus en Jezus kent zijn leerlingen. Het werkwoord ‘kennen’ heeft hier dus geen mentale betekenis, maar drukt een relatie uit die beide partners engageert in wederzijdse levensbetrokkenheid.

Wanneer een persoon wezensbepaald wordt door wie hem kent, dan zal hij sowieso zelf in zijn kennen bepaald worden door de persoon de hij kent. En daar de Vader en de Zoon ‘het leven’ hebben en zijn (Jo 5,26), is in de liefde de Vader en de Zoon kennen, ‘het eeuwig leven’ (Jo 17,3).

Zo wordt het duidelijk dat ‘kennen’ hier de verhevenste manier van zijn benoemt, de meest authentieke manier van leven, en dat deze kennis niets anders is dan de liefde (Grieks : agapè). God is ‘agapè’, en door te beminnen komt men in relatie met God (1 Jo 4,8, 16). De liefde is aldus het criterium van de Godskennis (1 Jo 4,7 v.), zoals ze ook de maatstaf is van het toebehoren aan Jezus (Jn 13,35). Het ‘kennen’ zoals het ‘beminnen’ bepalen de relatie tussen de Vader en de Zoon (Jo 3,35 ; 10,17 ; 15, 9 ; 17,23 v. ; 14,31). Op dezelfde manier bewerkstelligen ze de relatie tussen Jezus en die van hem zijn (Jo 13,1, 34 ; 14,21 v. ; 15,12-17).

De eerste Johannesbrief zal nog eens herhalen dat dit ‘kennen’ wezenlijk de liefde is. “Hieraan hebben we geleerd wat liefde is : hij, Jezus, heeft zijn leven voor ons gegeven” (1 Jo 3,16). Het betreft een liefde die gaat tot het uiterste, tot het geven van zijn leven. Die liefde drukt de beweging uit van God naar de mensen toe : de Vader geeft ons zijn Zoon, en de Zoon geeft ons zichzelf zonder voorbehoud. Wanneer Jezus over zichzelf spreekt, is het bijna altijd om zich te betrekken op de Vader die hem gezonden heeft (17 maal in het Johannesevangelie). Hij is gezonden door de Vader om alle mensen naar de Vader te brengen : “God immers had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden” (Jo 3,16-18). De zending die de Vader toevertrouwt aan de Zoon, is onder zijn herdersstaf alle kinderen Gods te verenigen.

De grote eenheid van het johannesevangelie komt hier tot uiting : alles wat de Vader is en heeft, geeft Hij aan de Zoon, die op zijn beurt alles geeft wat hij is, tot zijn leven toe, aan wie hem liefhebben. Het kennen in het geloof is de liefde.

De vraag die me aldus gesteld wordt is niet : wat voel ik, wat weet ik ? De enige echte vraag is : geef ik mijn leven in de liefde, uit liefde ?

En zo kan ik met Jezus zeggen : “De Vader bemint me in het belangeloos geven van mijn leven”  (Jo 10,17).

Broeder Marc ( Abdij van Orval )

Terug naar wekelijkse inspiratie…>>>