‘Johannes van het Kruis, een rebelse mysticus’

Lezing gehouden door pastor John Batist op donderdag 26 mei 2011

Jeugdjaren:

De heilige Johannes van het Kruis (1542-1591) is een van de belangrijkste mystici van de Katholieke Kerk. Hij werd als Juan de Yepes in 1542 (of 1540) te Fontiveros (Spanje, ± 150 km. ten noordwesten van Madrid) geboren. Zijn vader kwam uit een familie van rijke zijdehandelaren, maar hij werd verliefd op de eenvoudige zijdeweefster Catalina Alvarez, die zwanger van hem raakte. Hij hield echt van haar en in 1529 trouwde hij met haar. Dit zeer tegen de zin van zijn familie. Zij vonden haar ver beneden hun stand, en hij werd verstoten en onterfd. Dat betekent voortaan leven in een mager bestaan.  Hun eerste kind heette Francisco, kort daarop werd een tweede zoontje, Luis geboren en pas tien jaar later kwam Juan.  Hun moeder koesterde de kinderen met veel liefde. Dat verklaard wellicht waarom Juan in zijn latere poëzie graag vergelijkingen maakt tussen de koestering van een kind door zijn moeder en de koestering van de mens door God. Zijn vader heeft hij nauwelijks gekend. Die stierf toen Juan nog maar 2 jaar was. Hierdoor verviel het gezin in nog groter armoede. Ook zijn broertje Luis stierf kort daarop. Moeder Catalina deed alles om het hoofd boven water te houden ze verhuisde telkens naar andere plaatsen in de hoop daar werk te vinden. In 1551 vestigde ze zich uiteindelijk met haar gezin in Medina del Campo, een rijke handelsstad die bekend stond om zijn sociale instellingen voor arme mensen. Juan was toen 9 jaar.  Het lukte haar om Juan daar in een ‘Colegio de la Doctrina’, een school voor arme kinderen, te plaatsen, waar hij wat basisonderwijs kreeg en later les in handwerkvakken als timmerman, kleermaker, graveur en schilder. Maar al gauw bleek, dat werken als handswerkman er bij hem niet erg in zat. Theoretische vakken als taal, rekenen en cultuur lagen hem veel meer. Bovendien was hij een sociaal bewogen jongen. Het katholieke geloof, speelde natuurlijk bij elke Spanjaard indertijd een grote rol. Kerk en Staat waren nauw met elkaar verweven. Heel het openbare leven was ervan doordrongen. Het Spanje van die dagen beschouwde zich zelfs als hoedster van het heilige Roomse Rijk, in de strijd tegen de Hervormingen in Duitsland en de Nederlanden. In die sfeer groeide Juan op, maar het geloof was bij hem ook echt geworteld. Van jongs af aan diende hij de Mis als acoliet in de kerk van het Magdalenaklooster van de Karmelieten in die stad. Een taak die hij met veel toewijding verrichtte, en waardoor waarschijnlijk al de kiem gelegd werd voor zijn latere roeping. Om wat inkomsten te verwerven moest hij buiten schooltijd als loopjongen werken in Hospital de la Concepcion, een ziekenhuis voor mensen met besmettelijke ziekten, zoals syfiles. Toen hij 14 jaar was werd hij er ziekenverpleger. Hij moest ook de straat op om aalmoezen voor de zieken te gaan vragen. De stichter van dit ziekenhuis had echter wel door, dat hij goed kon leren en gaf hem de gelegenheid om bij de Jezuïeten lessen te volgen, zolang hij zijn plichten maar niet verwaarloosde. Dit was in de jaren 1559-1563, dus van zijn 17de tot 21ste jaar. Hij kreeg daar lessen in grammatica, Latijn en Grieks en kwam in contact met de poëzie.

1563: Intrede bij de Karmelieten

Gaandeweg was bij Juan het verlangen gegroeid om te kiezen voor het geestelijk ambt en toen hij 21 jaar was, trad hij in bij de Karmelieten in de stad. Hoe dat verlangen is gewekt, weten we niet. Wellicht door zijn functie als acoliet bij de Karmelieten. Het was hem in elk geval niet te doen om het aanzien van een priester dat indertijd groot was. En ook niet om de lucratieve prebenden waarmee je als pastoor in een parochie of als aalmoezenier van het hospitaal, ruimschoots de kost kon verdienen.  Dat laatste was hem wel aangeboden door de stichter van het ziekenhuis waar hij
werkte, maar die mogelijkheid sloeg hij af.  Hij wilde geen pastoor worden maar monnik.  Daaruit mag je afleiden, dat het hem echt ging om het spirituele van zijn roeping. Hij wilde bezig zijn met de kern van het geloof. Wat is de zin van het leven? Wat maakt werkelijk gelukkig? Welke rol speelt God daarin? Hoe kan ik God ontmoeten?  Uit zijn latere geschriften weten we dat hij geboeid diep ontroert was door de liefde van Jezus, waarvan het lijden en de dood tot op het kruis het ultieme teken waren. Hij zag dat Jezus dat lijden voor lief nam, omdat hij niet kon stoppen met het liefhebben van mensen. En dat Jezus zich zó ‘leeg’ maakte, om ‘vol te zijn van Gods liefde’.  Juan kwam hierdoor tot het ontroerende besef dat wij  – hoe tekort schietend we ook zijn – al bij voorbaat geliefd worden door God. Daar wilde hij zich ook aan overgeven.  Hij zag die overgave het mooist in Maria verbeeld in haar uitspraak: ‘Mij geschiedde naar uw woord’. Dat is wat hem inspireerde en vormt de kern van Juan ’s latere mystiek.

De oorsprong en spiritualiteit van de Karmelorde ;
Om die overgave te verdiepen koos hij dus voor het kloosterleven bij de Karmelieten. Deze Kloosterorde is de enige orde die zich niet beroept op een stichter (zoals bijvoorbeeld: Benedictijnen – Benedictus; Augustijnen – Augustinus; Franciscanen – Franciscus), maar op een profeet : Elia. Misschien goed om daar even iets over te vertellen.
Elia leefde omstreeks de 7de eeuw voor Christus in Israël. Hij trad fel op tegen koning Achab, omdat die geen weerstand bood aan zijn vrouw Izebel die de Baälcultus had ingevoerd, een godsdienst die met haar sterk accent op de vruchtbaarheidscultus en de macht van de sterkste, haaks stond op de Godsdienst van Israël. De God van Israël, is immers een bevrijdende en barmhartige God, die juist opkomt voor de zwakke, de vreemdeling, de weduwe en de wees. Elia wilde het volk terug brengen tot Hem. Omdat de koning niet naar hem wilde luisteren, riep Elia in naam van God een droogte af over Israël. Om die reden wilde de koning hem gevangen zetten. Maar God gaf Elia opdracht om zich te verbergen in het Dal van de beek Kerit. Uit die beek kon hij drinken en raven brachten hem daar voedsel. Weer tot rust gekomen keerde Elia terug naar koning Achab en riep hem opnieuw op tot bekering. Om zijn boodschap kracht bij te zetten daagde hij de priesters van de Baäl uit op de berg Karmel (in de buurt van Haifa) een offer te brengen. Ook hijzelf zou dat doen. Elk zou dan zijn eigen God aanroepen om het hout te laten ontbranden. Ondanks geroep en getier kregen de Baälpriesters hun offer niet in brand. Toen was het de beurt aan Elia. Die deed er nog een schepje bovenop om zijn vertrouwen in de God van Israël te tonen: hij gooide water op het hout van zijn offer. Desondanks liet God dit offer wel ontbranden. Daarna bad Elia God om regen. Het gebed werd verhoord en de regen kwam met bakken uit de lucht. Elia rekende nogal hard af met de Baälpriesters: in opdracht van God liet hij hen doden. Een daad die je alleen kunt plaatsen als je die ziet als een metafoor van Gods passie voor de zwakke, verdrukte mens, slachtoffers van de machthebbers. Hij kon dit onrecht niet aanzien, zoals ons bloed ook wel eens kookt wanneer iemand geweld wordt aangedaan, misbruikt wordt, of vals beschuldigd. Dan roep je soms ook wraakzuchtige dingen over de daders af.  Elia haalde daarmee de woede van koningin Izebel over zich heen en hij moest opnieuw vluchten naar de woestijn.  Daar raakte hij in een diepe crisis: diep teleurgesteld vanwege de mislukking van zijn werk als profeet en compleet uitgeblust vroeg hij God om hem maar te laten sterven. Wij kunnen ons dat gevoel wel voorstellen.  Maar toen zond God een engel naar Elia die hem voedde, en hem daarna de opdracht gaf naar de berg Horeb (ofwel Sinaï) te gaan. Daar zou God zelf aan Elia verschijnen, zoals God ooit aan Mozes was verschenen. En aldus gebeurde. Eerst zag hij een hevige storm, maar daarin was God niet. Daarna kwamen donder en bliksem, maar ook daarin was God niet. Tenslotte volgt er een zachte bries. Daarin is God aanwezig. Door deze mystieke ervaring, deze ‘goddelijke aanraking’ gesterkt, vatte hij zijn taak als profeet weer op, en kreeg medestanders, zoals zijn latere opvolger Elisa.

Dit verhaal ligt aan de basis van het monnikenleven van de Karmelieten: je terugtrekken om God te vinden, je aan hem durven overgeven, om door Hem gevoed te worden en daardoor gesterkt van Zijn liefde te getuigen.  De eerste ervaring van Gods aanwezigheid kreeg Elia dus op de berg Karmel. Die plaats bleef ook bij de eerste christenen tot de verbeelding spreken.  Uit historisch en archeologisch onderzoek is gebleken dat zich in de eerste eeuwen na Christus al kluizenaars rond de berg Karmel hebben gevestigd, om in het spoor van Elia te leven en God te zoeken. Er zijn nog restanten van een Mariakerkje dat zij daar bouwden. Zij leefden volgens een kloosterregel die men ‘Het boek der eerste monniken’ is gaan noemen. Eigenlijk is dit een commentaar op het Elia-verhaal, dat later grote invloed had op Johannes van het kruis. Toen in de 9te eeuw de Moslims het heilig land hadden veroverd, vluchtten die kluizenaars naar West Europa. Daar werd het uiteindelijk in de 12de eeuw een door de paus goedgekeurde officiële Kloosterorde, met de naam: ‘Orde van Onze lieve Vrouw van de berg Karmel’. (Verwijzing naar het eerste kapelletje dat er ooit gebouwd was). Hun spiritualiteit werd gekenmerkt door de aandacht voor de mystiek (Is nog steeds zo), en een bijzondere devotie tot Maria. Dat zal de voornaamste reden zijn geweest, waarom Johannes van het Kruis voor deze Orde koos. Bij de Karmelieten had hij de gelegenheid om zich meer af te zonderen en een strenger leven te leiden.  Op 24 februari 1563 – hij was toen dus 21 jaar – werd hij geprofest en mocht hij voor het eerst zijn kloosterkleed dragen.  Als kloosternaam koos hij voor Juan de Santa Matia.

1564-1568. Aan de universiteit van Salamanca + Priesterwijding:
Juan mocht daarna verder studeren aan de universiteit van Salamanca, waar uitstekende hoogleraren doceerden, o.a. Luis de León, een groot Bijbelgeleerde en kenner van theologie van Thomas van Aquino (de Scholastiek). Ook was hij een zeer begaafd dichter. Daar is Juan ‘s liefde voor poëzie zeker aangewakkerd en gecultiveerd. Juan woonde op het college waar alle studenten van de Karmelieten verbleven: San Andrés. Daar kregen ze les over de Regel van de Orde en over de spiritualiteit van de oude ‘Kerkvaders’. Dat zijn geleerden als Hiëronymus, Ambrosius en Augustinus, die in de eerste eeuwen van het christendom hebben getracht het Christelijk geloof zowel spiritueel als intellectueel te verwoorden. Hierdoor kwam Juan op het spoor van een diepere, mystieke beleving van zijn geloof. Ook zijn artistiek talent en zijn persoonlijkheid kwamen in volle ontwikkeling. Juan was een briljant student en in april van 1567 koos het provinciaal kapittel Juan tot studieprefect, dwz.: tot begeleider van jongere studenten in het college.  Tijdens de zomer van datzelfde jaar – inmiddels 25 jaar geworden – werd hij priester gewijd en ging hij naar Medina om er zijn eerste mis op te dragen, in het bijzijn van zijn moeder, zijn broer en schoonzus. Hij beleefde het voorgaan in de Eucharistie vaak zeer intens. De ontmoeting met Christus bracht hem soms zó van zijn stuk dat hij er voor terugschrok de Eucharistie te vieren, zoals hij later aan een bevriende priorin schreef: ‘Soms celebreer ik een paar dagen niet, omdat ik bang ben dat mij iets zou overkomen dat erg op zou vallen… Onze Heer gaat zo met mij om, dat mijn zwakke natuur er niet tegen kan’.

1567: In de ban van Teresa van Avila en haar hervorming:
Intussen was er bij hem twijfel gegroeid over zijn keuze voor de Karmelorde. Mede geïnspireerd door het boek dat ik al noemde: ,,Het boek der eerste Monniken”. Hij miste het oorspronkelijke vuur van de eerste kluizenaars die op de berg Karmel in het heilig land zich geheel en al openstelden voor Gods genade. Naar die aloude levenswijze zou hij terug willen, terug naar de bron door in spirituele zin de Berg Karmel te bestijgen, zoals in dat boek staat: ‘Maak van elke plaats een Karmel. Trek, waar je ook woont, weg uit het eindige. Betreed de oneindige ruimte die God is’. Daarom overwoog hij over te stappen naar de Karthuizers: de meest strenge kloosterorde die er bestond.  Dat is een leerzaam moment, ook voor ons: Hoe ga je om met teleurstelling over de kerkelijke setting waarin je zit? Trek ik me eruit terug en ga ik mijn heil op een andere plaats zoeken? Soms kun je niet anders dan breken. Ik denk aan iemand als Dietrich Bonhoeffer, die met de Evangelische Kirche brak, toen deze opging in de door Hitler opgerichte ‘Reichskirche’. Bonhoeffer richtte toen zelf de ‘Bekennende Kirche’ op. Maar soms doe je er beter aan om op het oude nest te blijven, en je in te zetten voor verandering in het geestelijk huis waarin je bent opgegroeid, zolang je daartoe nog enige kans ziet. En wat dan helpt is: medestanders zoeken en samen je idealen en spiritualiteit te delen.  Soms lijkt de heilige Geest bij zo ’n keuze een handje te helpen. Want toen Juan in Medina del Campo kwam om zijn eerste Mis op te dragen, ontmoette hij Teresa van Avila. Zij was al enige tijd bezig met de hervorming van de vrouwelijke Karmelorde en was in Medina om er een klooster te stichten, nota bene in de straat waar zijn moeder woonde! Zij noemden zich de ‘Ongeschoeide Karmelietessen’. Dit omdat ze inderdaad blootsvoets liepen, als uiting van hun uiterst sobere leefwijze. Zij had zelfs van de generale overste van de mannelijke tak toestemming gekregen om ook twee kloosters voor mannen te stichten die zouden leven volgens de hervormde regels. Al snel bleek dat Teresa en Juan grote zielsverwantschap hadden en hun spirituele idealen deelden. Teresa wist hem over te halen bij de Karmelieten te blijven en zich samen met haar in te zetten voor haar hervormingsplannen. Zij zag in hem ook de ideale leider van het eerste hervormde mannenklooster dat ze wilde stichten.

Stichting van het eerste ‘hervormde’ mannenklooster :

In afwachting van het vinden van een geschikte locatie ging Juan nog even terug naar Salamanca om zijn studie te voltooien.
Intussen hadden Teresa en Juan vele gesprekken ter voorbereiding van de stichting van het nieuwe mannenklooster. Ze hadden ook enkele andere paters bereid gevonden om mee te doen. Een jaar later – in de zomer van 1568 – was het zover.  In een gehucht in de buurt van Medina: Duruelo, had Teresa een huis ter beschikking gekregen om daar een klooster van te maken. De behuizing viel nogal tegen: het was niet veel meer dan een soort schuur. Maar met veel inzet o.a. van Juan ‘s broer Francisco, bouwden ze het om tot een kloostertje. Het kleine groepje paters leefde er uiterst sober, mediteerde veel over de Bijbel, hielden weer de oorspronkelijke 8 gebedstijden, en oefenden zich in de broederlijke liefde. Vanuit de stilte van hun kloostertje waren ze ook dienstbaar voor de mensen uit de omgeving. Zo werden zij de eerste mannelijke ‘Ongeschoeide karmelieten’. Om die reden veranderde hij ook zijn kloosternaam: Juan de la Matia werd Juan de la Cruz, ‘Johannes van het Kruis’.  Overigens was er nog geen sprake van een officiële nieuwe Kloosterorde. De hervomingsgezinden maakten nog gewoon deel uit van de éne Karmelietenfamilie. Om die reden kon het gebeuren, dat Teresa vier jaar later, in 1572 werd gekozen tot priorin van het grote ‘Klooster van de Goddelijke Geboorte’ in Avila, met wel 130 zusters! Daar heerste nog de – in haar ogen ‘slappe geest’ – van de ‘gewone’ ‘geschoeide’ Karmelieten. Daarom vroeg ze aan Juan om haar te helpen bij het hervormen van deze kloostergemeenschap. Hij nam het aan en werd de geestelijk begeleider van de zusters. Van Avila uit werden er door Teresa en Juan op allerlei plaatsen in Spanje meer ‘hervormde’ klooster gesticht, zowel voor mannen als voor vrouwen.

Weerstanden Mystieke ervaring en gevangenschap :

Na een paar jaar begon de houding van de Geschoeide Karmelieten ten opzichte van de Ongeschoeiden te veranderen.
Aanvankelijk stonden ze neutraal tegenover de hervormingen of moedigen die zelfs aan. Maar het landelijk kapittel van de Orde in 1575 perkte de hervormingen drastisch in: er mochten geen nieuwe kloostervestigingen meer komen en Teresa moest één klooster kiezen om zich daar blijvend te vestigen. Als reactie hielden de Ongeschoeide Karmelieten een jaar later een eigen kapittel. Men zette alles in het werk om voor de ongeschoeiden tot een eigen, zelfstandige ‘provincie’ te komen, los van de Geschoeiden. Dat bleek olie op het vuur. De Geschoeiden namen allerlei maatregelen om de hervormers aan banden te leggen.  Juan weigerde echter de hervormingen op te geven. Maar om de gemoederen toch wat te sussen, legde hij zijn taak als rector en geestelijk begeleider van het zusterklooster in Avila neer. De zusters protesteerden daarover weer bij de Nuntius, die Juan opdracht gaf zijn taak weer op te nemen.  Juist in die hectische tijd overkwam hem een mystieke ervaring van Gods aanwezigheid. Hij kreeg een verschijning waarin hij Christus aan het kruis zag, die zich naar hem voorover boog. Maar hij zag het vanuit een bijzonder perspectief, n.l. vanuit de hoogte, zeg maar: vanuit Goddelijk perspectief, zoals hij kort daarop in een kleine tekening heeft weergegeven. Deze is bewaard is gebleven en vormde de inspiratie waar Salvador Dali in de vorige eeuw zijn beroemde interpretatie van schilderde.

Hij voelde in deze verschijning heel persoonlijk de genade van God, die zich via Jezus ontfermt over de menselijke ziel. Hij ziet er ook een bevestiging in van zijn eigen aanvoelen over wat een mens nu tot God brengt. Dat is: de totale ‘ontlediging’.  Of zoals hij later in zijn ‘Werken’ schreef: ‘Omdat ik gezegd heb dat Christus de weg is en dat deze weg bestaat in het versterven van onze zintuiglijke en geestelijke natuur, wil ik laten zien hoe dit is, volgens het voorbeeld van Christus……  Moge een oprecht geestelijke ziel hieruit herkennen in hoeverre Christus de deur en de weg is ter vereniging met God.’ Dat blijft hij overal voorhouden, ook aan zichzelf. Uiteindelijk werd hij door de ‘geschoeide’ karmelieten schuldig bevonden aan rebellie en weerbarstigheid. Op 2 december 1577 werd hij met geweld door medebroeders opgepakt en in het geheim opgesloten in het klooster van Toledo in een kleine cel zonder ramen. Hij werd vernederd en mocht met niemand contact hebben.

Mystieke ervaring in de ‘donkere nacht van het geloof’ :

Die gevangenschap was een zware beproeving. Je zult maar door je eigen medebroeders gevangen worden gezet! Hoewel hij van zijn bewaker zo nu en dan stiekem zijn cel uit mocht om wat te studeren en te schrijven, voelde hij zich ellendig en onbegrepen. Zelfs zijn geloof kwam in een diepe crisis. Hij voelde zich totaal door God verlaten en zijn gebed was dor.  Deze zwarte periode noemde hij later de ‘Donkere Nacht van het Geloof’. Hij probeerde zijn gevoelens van verlatenheid en diepe teleurstelling weer te geven in poëzie, zoals het volgende gedicht:

Waar houdt Gij U verscholen, Geliefde,  die mij achterliet, in stenen? Mocht, herders, welgezinden, ge in ‘t langs de kooien naar de hoogten zwerven,  bij toeval Hém daar vinden, Wiens liefde ik niet kan derven, Zegt Hem, hoe ik wegslink, pijn lijd en moet sterven. Of ik de Bron ook ken!  Haar wellen en haar stromen, al is Zij nachtelijk! Die donkerste der nachten.

Enerzijds is er dus de klacht van het gemis, het lijden. Hij voelt zich als Job, die hij vaak citeert.  Anderzijds klaagt hij – net als Job – niet in het luchtledige. Hij blijft zijn klacht richten tot God. Dat is het cruciale verschil: Hij laat God niet los! Hij herinnerde zich de verschijning van de lijdende Christus aan het kruis in Avila weer levendig. Dat leerde hem zijn eigen ‘ik’, zijn eigen gevoel van ‘belangrijkheid’ steeds meer te relativeren.  Hij ervaart zijn gevangenschap dan ook als een uitzuivering. Hij merkte, dat hij daardoor veel meer de liefde van God op het spoor kwam. Die ervaring raakte hem ten diepste en hielp hem uit zijn geloofscrisis, zoals hij later verwoordde in zijn Geestelijk Hooglied: ‘Een klein beetje van deze zuivere liefde is kostbaarder voor de Kerk dan alle andere werken tezamen, al heeft het ook de schijn dat de ziel niets meer doet’.  Het inspireerde hem dus ook tot het schrijven van mystieke poëzie, waaronder het grootste deel van dat ‘Geestelijk Hooglied’. (GH) Telkens wijst hij er daarin op dat God op verborgen wijze aanwezig is in de ziel.  Je kunt God eigenlijk niet menselijk ervaren, maar alleen als ‘de Verborgene’. Hij zegt het zo: „Wie iets moet zoeken dat verborgen is, moet in het verborgene doordringen tot de verborgen plaats waar het zich bevindt. Als hij het dan vindt, is hij even verborgen als dat ding” (GH,1,9). „Gij handelt dus zeer goed, o ziel, als gij Hem altijd zoekt waar Hij verborgen is. Als gij immers God beschouwt als verhevener en dieper dan alles waartoe gij kunt geraken, dan brengt gij daardoor veel lof aan God en zult gij zeer dicht bij Hem komen. Blijf daarom niet stilstaan of talmen bij datgene wat uw vermogens kunnen begrijpen… Zoek uw voldoening in wat gij van Hem niet kunt begrijpen. God is immers ontoegankelijk en verborgen. Al hebt gij nog zozeer de indruk Hem te vinden, Hem te voelen en Hem te begrijpen, toch moet gij Hem steeds blijven beschouwen als verborgen. Wees niet gelijk die talrijke onverstandige mensen, die een geringe dunk van God hebben, die menen dat God verder weg is of meer verborgen als zij Hem niet begrijpen, proeven of gewaarworden. Eerder is het tegendeel waar” (GH,1,12). Zo vult hij zijn dagen in gevangenschap: met meditatie, gebed en het opschrijven van zijn inzichten. Totdat hij na negen maanden wist hij te ontsnappen en zich kon verbergen bij de ongeschoeide Karmelietessen in Toledo. Hij was lichamelijk erg afgetakeld en ziekelijk. Ondanks het gevaar dat hij weer opgepakt zou worden, ging hij toch naar het kapittel van de Karmelieten dat in dat jaar (1578) werd gehouden. Kennelijk was het tij wat gekeerd. Hij werd zelfs benoemd tot overste van een klooster in Calvario (Jaén) in het zuiden van Spanje. Dat bleef hij 10 jaar lang, maar ontplooide intussen tal van andere activiteiten, zoals het geven van geestelijke begeleiding in de kloosters die hij bezocht, het opzetten van een college voor de hervormingsgezinde Karmelieten en het stichten van nieuwe kloosters.

Intussen schreef hij ook nog allerlei toelichtingen op de gedichten die hij tijdens zijn gevangenschap had geschreven en werkte hij ook zijn mystiek aantekeningen uit. Tot zijn beste werken behoren: ‘De bestijging van de berg Karmel’, ‘Donkere Nacht’, ‘Geestelijk Hooglied’ en ‘De levende Vlam van de Liefde’. Het is ondoenlijk om te vertellen wat hij allemaal deed en hoeveel hij daarvoor gereisd heeft, iemand heeft uitgerekend dat hij 40.000 km. moet hebben afgelegd, alles te voet of met een ezeltje.
Van belang is dat in 1588 de ‘Ongeschoeiden’ een eerste pauselijke goedkeuring kregen om een aparte congregatie te worden met aan het hoofd een vicaris-generaal. Pater Nicolas Doria werd tot dit ambt gekozen. Juan werd tot generaal-raadslid van het algemeen kapittel gekozen. Al vrij snel ontstond er een conflict tussen pater Doria en Juan. Juan vond dat Doria teveel het accent legde op uiterlijk strenge regels en ascese, terwijl Juan de nadruk legde op de innerlijke weg die monniken zouden moeten gaan. Twee jaar later, in 1591, kwam het generaal kapittel opnieuw samen. Kennelijk was er weer een lastercampagne tegen Joannes van het Kruis op gang gekomen, want hij kreeg geen enkele taak meer toegewezen. Men probeerde hem naar Mexico te sturen, maar praktische omstandigheden verhinderden dit. Uiteindelijk trok hij zich terug in de eenzaamheid van het klooster van La Pehuela. Maar hij werd steeds ziekelijker en ging kort daarop, 28 september 1591, naar een klooster in Ubeda, om er verzorgd te worden. Daar stierf hij in de nacht van 13 op 14 december, 49 jaar oud. Twee dagen later kwam de definitieve pauselijke erkenning van zijn levenswerk: de Orde der Ongeschoeide Karmelieten werd officieel goedgekeurd. Inmiddels was zijn roem zeer gestegen. Men zag steeds meer de grootsheid van zijn hervormingswerk en zijn mystiek in. Er ontstond zelfs een strijd om zijn stoffelijk overschot. Hij werd op meerdere plaatsen herbegraven, waarbij telkens een van zijn ledematen achterbleef. Want iedereen wilde relikwieën van hem hebben. Dit in weerwil van wat hij daarover zelf ooit schreef: ‘Het hebzuchtig grijpen naar Agnus Dei ‘s, relikwieën, medailles, is zoals kinderen grijpen naar snuisterijen’ (DN).  Uiteindelijk werd zijn lichaam na twee jaar in 1593 overgebracht naar Segovia. Hij werd in 1726 heilig verklaard en in 1926 zelfs tot ‘Kerkleraar’ uitgeroepen, vanwege de verrijking die zijn spirituele geschriften voor ons geloof hebben. Na de pauze zullen we enkele fragmenten daaruit lezen en bespreken.

LITERATUUR:
‘Een vriend van God, Jan van het Kruis’. Auteur: Guido Stinissen. Een prima levensschets, prettig geschreven en vlot leesbaar. Met goede uitleg en duiding. Uitgeverij Carmelitana te Gent. ISBN 90-70092-55-7 ‘Jan van het Kruis’. Auteur: prof. Hein Blommesteijn. Na een korte levensschets volgt een uitstekende, eigentijdse uiteenzetting van de Mystiek van Johannes van het Kruis.  ‘Sint-Jan van het Kruis aan het woord’. Auteur: Guido Stinissen. Een keuze uit de geschriften van Johannes van het Kruis. Vlot geschreven en toegelicht. Elke blz. Is een afzonderlijk stukje dat te gebruiken is als dagelijkse meditatie. Uitgeverij Carmelitana te Gent. ISBN 90-70092-53-0 ‘De mystieke aanraking’. Auteur: prof. Kees Waaijman. Een gedegen uitleg van/over het boek ‘De bestijging van de berg Karmel’ van Johannes van het Kruis. Wat steviger kost, maar prachtig. Uitgeverij Ten Have. EAN 978 90 259 5893 0.

TEKSTEN van JOHANNES van het KRUIS ter bespreking:

Het gedicht ‘Donkere Nacht’ van Jan van het Kruis roept onmiddellijk associaties op met de duisternis en de benauwenis, die Johannes heeft ervaren in de donkere cel van de kloostergevangenis. In het gedicht beschrijft Jan van het Kruis hoe de ziel omgevormd wordt. ‘ Ziel’ staat bij hem voor de gehele persoon en is de toegangsplaats tot het geestelijk leven. In de ziel vindt de ontmoeting plaats tussen God en de mens. In het centrum daarvan bevindt zich de ‘substantie’ en daar is God onmiddellijk aanwezig als ‘Bron van alle zijn’. In het gedicht voltrekt dit proces van ‘omvorming’ zich in twee Nachten. In de Nacht van de Zinnen worden de zintuiglijke vermogens omgevormd. Deze zijn van nature naar buiten gericht, omdat hiermee het natuurlijke streefvermogen verbonden is. In de Nacht van de Geest worden de geestelijke vermogens omgevormd door de goddelijke krachten van geloof, hoop en liefde. Dit vat Johannes op als een drievoudig proces, waarbij er een beweging plaatsvindt vanuit God en weer terugkerend naar God:  – Het verstand wordt gezuiverd door het geloof en wordt verenigd met de wijsheid: Zoon – De menselijke wil wordt getransformeerd naar verlangen en liefde en wordt verbonden met de Geest – Het geheugen wordt gezuiverd van herinneringen door de hoop, en wordt een scheppende bron van de Vader.

‘Donkere nacht’

In een nacht, aardedonker in brand geraakt en radeloos van liefde – en hoe had ik geluk!- ging ik eruit en niemand die het merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.

In het donker, geheel veilig langs de geheime trap en in vermomming, – en hoe had ik geluk! – in het donker, ongezien ook, want alles in mijn huis lag reeds te slapen.

In de nacht die de kans geeft, in het geheim, zodat geen mens mij zien kon en ook ikzelf niets waarnam: ik had geen ander leidslicht dan wat er in mijn eigen binnenste brandde.

Dat was het dat mij leidde – zekerder dan het zonlicht op de middag – daarheen waar op mij wachtte, van Wie ik zeker zijn kon en op een plaats waar niemand ooit zou komen.
O nacht die mij geleid hebt! O nacht, mij liever dan het ochtendgloren! O nacht die hebt verenigd Beminde met beminde, beminde, opgegaan in de Beminde!

Aan mijn borst, wei vol bloemen, Hem alleen, onbetreden voorbehouden, daar is Hij ingeslapen en heb ik Hem geliefkoosd en gaf de waaier van de ceders koelte.

De koelte van de tinnen kwam, onderwijl ik door zijn haren heen streek, met haar hand, licht en rustig, mij aan de hals verwonden en stelde al mijn zinnen buiten werking.

Mijzelf liet ik, vergat ik; ik drukte het gelaat aan mijn Beminde; het al stond stil, ik liet mij gaan, liet al mijn zorgen liggen: tussen de witte leliën vergeten.

‘Geestelijk Hooglied’:
Zijn belangrijkste gedicht is het ‘Geestelijk Hooglied’. Bij het schrijven hiervan zal hij zeker geïnspireerd zijn door het ‘Hooglied’ uit het Oude Testament. Ook Johannes van het Kruis vergelijkt in zijn Hooglied de band tussen de mens en God met die tussen een bruid en Bruidegom. De bruidegom (God) is gevlucht als een hert. Juan (de bruid) zegt door dit hert te zijn verwond (de liefde van God is zo overweldigend dat het hem als mens zelfs pijn doet ‘verwondt’ in de ziel). „Waar hebt Gij U verborgen?” roept de op God verliefde ziel Hem na. Hij was haar overkomen. Zo onverwacht, zo hartbenemend. Meer dan ooit tevoren. Maar toen ze meende eenheid te mogen beleven, was Hij weer weg „Als een hert zijt Gij gevlucht” (GH,1). Hij vraagt aan de herders en aan de bloemen om het hem te komen vertellen als ze Hem zien. Op het einde vindt er een vereniging plaats tussen de ziel (Juan) en het hert (de Heer).

Beurtzang tussen de ziel en de bruidegom
Bruid: Waar heb jij je verborgen, Beminde, en mij achtergelaten in zuchten? Zoals het hert vluchtte jij weg nadat jij mij verwondde ik liep je na, roepend, maar je was verdwenen. Herders die uitgaat ginds door de weiden de heuvel op, als jullie bijgeval mochten zien hem die ik het meest bemin, zegt hem, dat ik wegkwijn, pijn lijd en sterf.

Zoekend naar mijn lief, zal ik daar gaan over bergen en langs oevers; niet zal ik plukken de bloemen, niet duchten wilde dieren, en nemen zal ik vestingen en grenzen.

Vraag aan de schepselen: O bossen en struikgewas, geplant door de hand van de Beminde

O weide van groene gewassen, met bloemen veelkleurig gesierd Zegt of hij door jullie is heengegaan.

Antwoord van de schepselen: Duizend bevalligheden uitstrooiend ging hij door deze bosjes inderhaast, en, terloops zag hij ze aan: door alleen zijn verschijning gekleed liet hij ze in schoonheid.

Bruid: Ach, wie zal mij kunnen genezen Geef je dan ten leste waarlijk over; wil mij niet zenden van nu af nog andere bode: want zij weten me niet te zeggen wat ik begeer. En allen die daar dwalen van jou gaan mij duizend bekoorlijkheden vertellen, en allemaal, méér verwonden zij mij, en mij laat achter stervend (aan ) een ik-weet-niet-wat wat zij stamelen.

OPRECHTE DANK AAN JOHN BATIST.