De troost van Pasen

Onder het kruis

De evangelist Johannes brengt een uitgebreid relaas van Jezus’ levenseinde. Er heerst droefheid en ontgoocheling. Het raakt vooral de vrouwen die met hem op weg zijn gegaan. “Bij het kruis stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Kleopas, en Maria uit Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder ‘Dat is uw zoon’, en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder’. Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis” (Joh 19, 20-25).

Bij alle pijn en verdriet die deze mensen treft, blijven ze op een merkwaardige manier overeind. Ze treuren om een geliefde. Ze zijn bijzonder gekwetst door de reden van zijn terechtstelling maar ook door de beschamende manier ervan. En daar horen we dan die ontroerende woorden aan zijn moeder en aan de leerling die hij liefhad. Doorheen alle ontgoocheling wordt tegelijk iets nieuws geboren.

Maria van Magdala

Johannes schenkt bijzondere aandacht aan Maria van Magdala. Zij is heel bijzonder geraakt door de kruisiging van Jezus. Johannes vertelt dat ze “ op de eerste dag van de week” (Joh. 20,1) naar het graf ging. Ze wil bij hem zijn die ze liefhad en die ze nu moet missen. Maar ze staat er. En nadat ze de leerlingen op de hoogte heeft gebracht van het verdwijnen van het dode lichaam vinden we haar terug, huilend bij het graf (Joh. 20,2-10).

Simon Petrus en de andere leerling gaan eerst het graf binnen. De geloofsgemeenschap waar de evangelist Johannes toe behoort wil de hiërarchie die er blijkbaar reeds was respecteren. De mannen eerst. Zij verrassen door de zakelijkheid in hun onderzoek van het lege graf. Ze hebben iets van detectives. De beleving van Maria gaat veel dieper en persoonlijker. Zij blijft op de achtergrond. Ze heeft begrepen voor welke verantwoordelijkheid ze staat.

Troostende engelen

Ze staat er gelukkig niet alleen voor. Er zijn engelen die haar nabij zijn en begrijpen wat er in haar omgaat. “Waarom huil je?” Ze voelen met haar mee. Het is een troost die kracht geeft om een volgende stap te zetten. En dan hoort ze de stem van de tuinman die net als de engelen vraagt: “Waarom huil je?”. Pas wanneer ze bij name genoemd wordt is de herkenning wederzijds.

Maar het is niet het uitbundig gejubel als bij het ontsteken van de paaskaars. Ze kan zich niet vastklampen aan de geliefde meester. Ze krijgt meteen een opdracht. Ze moet gaan vertellen wat ze heeft meegemaakt. Het is ongetwijfeld een troost dat haar die opdracht wordt toevertrouwd. “Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen : “Ik heb de Heer gezien!” en ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.” (Joh 20, 18). Het verhaal van Jezus’ leven is niet ten einde. Er is een nieuw begin. In een andere vorm, maar gedragen door het voorbeeld van Jezus.

Verrijzenis

Er wordt in het evangelie niet gesproken over gestorvenen die na hun dood opnieuw tot leven worden gewekt. Het gaat om een andere opstanding. De leerlingen beseffen dat ze de gestorven Jezus als een kostbare schat in hun hart met zich meedragen. En nu begint voor hen een nieuw hoofdstuk. Ze mogen zich samen verantwoordelijk weten voor de toekomst. Nu pas worden ze ten volle “mensen van de weg”.

Het wordt een bewogen verhaal gedragen door dezelfde geestkracht die ook Jezus bezielde. Jezus’ kruisdood mag dan een fiasco heten, het verhaal van zijn leven spreidt zich uit in heel de gekende wereld. Zijn dood is geen einde. Het is het begin van iets nieuw. De kruisdood van Jezus kan de betekenis van zijn leven niet ongedaan maken.

Het is een troost te weten dat ook ons leven weliswaar eindigt met de fysieke dood, maar tevens verder gaat in de geschiedenis waar wij deel van zijn. Het troost te weten dat we een plaats hebben in die geschiedenis, hoe onopvallend is het ook geweest is. Het gaat namelijk over méér dan een steeds vager wordende herinnering. Het gaat om een vertrouwen en een hoop die verder gedragen worden. Het gaat om een liefde die het nooit laat afweten, ook al vervaagt de fysieke nabijheid.

Hiernamaals

Het is onvermijdelijk: soms denkt een mens aan de dood, en wat er na komt, als er al iets komt. Het gaat niet om een of andere theorie over het levenseinde, in het algemeen. Het gaat om de concrete vraag hoe we persoonlijk omgaan met onze dood. Het is geen gezellig onderwerp, maar niemand ontkomt er aan. Heel de geschiedenis door hebben mensen geprobeerd daarmee in het reine te komen. Ze hebben er zich uiteenlopende voorstellingen van gemaakt. Maar we weten dat het hooguit pogingen zijn om de dood minder bedreigend te maken.

Troost voor nu

Kun je leren omgaan met de dood? Misschien een beetje. Maar hoe ik me zal voelen als het zover is blijft voorlopig verborgen. En toch brengt de gedachte aan de dood een troost met zich mee. Het besef van onze eindigheid kan de jachtigheid van het actieve leven wat temperen. Je kan leren afstand doen van de vele dromen die je soms in beslag namen. Het is troostend te weten dat je het leven uit handen kan geven.

Nu pas weet je dat veel van de dingen die je vroeger ontzettend belangrijk vond kan laten voor wat ze zijn. Ik hoef niet langer de wereldverbeteraar te zijn waar ik van droomde. we kunnen nu reeds afstand doen van al die eigenwijsheid die ons een “présence” gaf waar zoveel belang werd aan gehecht. Heel wat “drukte” van het actieve leven valt weg. Het troost te beseffen dat er veel mooie dingen zijn om op terug te zien.

Ten slotte: ik voel veel voor het beeld van R.M. Rilke in zijn gedicht “Herfst” dat spreekt van een grote hand die ons opvangt. Een troostende gedachte.

De blaren vallen, vallen van zo wijd,
alsof verwelkten ongeziene gaarden
zij wiegen naar beneden, vol van spijt.

En in de nachten valt de zware aarde
uit alle sterren in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Ook mijn hand valt uit;
En zie de anderen: het geldt voor allen.

Toch is er Iemand, die geheel dit vallen
oneindig teder in Zijn handen sluit.

Scroll naar boven